The Utopia of Rules

Een recensie

Beknopte bespreking van

David Graeber (2015), The Utopia of Rules. On Technology, Stupidity, and the Secret Joys of Bureaucracy, Melville House Publishing: Brooklyn & London, 261 blz.

Deze recensie is verschenen als

Storms, Elias (2016), Boekbespreking: The Utopia of Rules, Sociologos, 37 (2): pp. 155-58.


Bureaucratie. Papierwerk. Rapporten, verslagen, commissies, vergaderingen. Hoewel we er haast allemaal over klagen, krijgen we er steeds meer van. Een bijzondere paradox, die David Graeber meteen doopt tot The Iron Law of Liberalism. Meer nog: terwijl bureaucratie meer dan ooit een centrale rol speelt in ons dagelijkse doen en laten, praten we er nog zelden over. Bureaucratie is het water waarin we zwemmen, we nemen het gewoon niet langer waar.1 We leven in een tijdperk van “total bureaucratization” (p. 18), en ons gebrekkige inzicht daarin is deel van het probleem. “These things can happen largely because we lack a way to talk about them.” (p. 17)

Met de bundel The Utopia of Rules wil Graeber die kortzichtigheid bijsturen. Graeber brengt, behalve een uitstekende introductie, vier verschillende essays samen. Hoewel ze een frisse wind doen waaien, gaat het niet steeds om nieuw werk. Twee essays verschenen eerder in The New Inquiry en The Baffler, slechts enkele van de vele online-podia die Graeber graag en vaak betreedt. Een andere tekst is dan weer een langer uitgewerkte versie van Graebers Malinowski Memorial Lecture, reeds in 2006 gepubliceerd in het openaccess-tijdschrift HAU onder de veelzeggende titel Dead Zones of the Imagination: On Violence, Bureaucracy and Interpretive Labour.

Deze oorsprong verklaart het ietwat disparate karakter van de bundel. Maar ook afzonderlijk leveren de vijf teksten een relevante bijdrage aan de analyse van bureaucratie als heimelijke tijdsgeest. Met name het eerste en derde essay leveren pertinente inzichten op.

Voor wie de auteur nog niet kent: David Graeber is behalve professor antropologie aan de London School of Economics ook tegendraads anarchist in denken en doen. Of zijn activisme nu wel of geen rol speelde in de beslissing van Yale University om zijn aanstelling niet te verlengen, dat antropologische zwaargewichten als Marshall Sahlins en Maurice Bloch hun nek uitstaken om hem te houden is niet zonder betekenis.

Zelf omschrijft Graeber zich als “anarchist met een kleine a”, gericht op praktijk eerder dan op ideologie. Wat directe actie betreft voegt hij ook graag daad bij woord, zo mag blijken uit zijn prominente rol in de Occupy-beweging. Hoewel Graeber eerder reeds sleutelde aan een anarchistische antropologie (zie Graeber, 2004), verwijst hij in ander werk zelden expliciet naar literatuur van die strekking. Dat neemt niet weg dat een anarchistische inslag steeds aanwezig is. Kritieken op zowel staat als markt zijn een constante in zijn werk, en even goed hier als in eerder werk over schuld (2012) wijst hij herhaaldelijk op de verwevenheid van beide.

Wie denkt dat schrijven over bureaucratie resulteert in droge tekst, mag zich opmaken voor een verrassing. De essays, geschreven in een “broad, discursive vein” (p. 207), weiden uit over talloze onderwerpen. Graeber spendeert pagina's aan Star Trek, wijst op de bureaucratische systematiek in middeleeuwse voorstellingen van het hemelrijk, bespreekt super hero comics, boort Nolan's The Dark Knight Rises een hoofdstuk lang diep de grond in, ziet in fantasy als genre een negatie van bureaucratie, bespreekt de successen van het postbedrijf in 19de eeuws Duitsland, en wijst het succes van Dungeons & Dragons toe aan een magische combinatie van bureaucratische en anti-bureaucratische spelelementen.

Hoewel Graeber er op p. 3 reeds op wijst dat bureaucratie een halve eeuw geleden wel nog een veelbesproken onderwerp was, voelt hij niet de nood zelfs maar kort bij die literatuur stil te staan. Weber en Foucault schuift hij dan weer snel opzij met: “it sometimes seems that these were the only two intelligent human beings in twentieth century history who honestly believed that the power of bureaucracy lies in its effectiveness. That is, that bureaucracy really works” (p. 55). Een hoofdstuk eerder meldde Graeber echter nog dat private ondernemers zo onder de indruk waren van de eerste successen van statelijke bureaucratie dat ze gelijkaardige structuren en mechanismen overnamen in hun eigen bedrijfsvoering. Dat bureaucratische systemen effectief konden zijn, was dus zeker een breder gedeelde overtuiging. Met deze sneer lijkt Graeber vooral te verwijzen naar Webers ideaaltype van bureaucratie zoals uiteengezet in Wirtschaft und Gesellschaft. Bij diens bredere bedenkingen over rationaliteit als “staalhard omhulsel” (Weber 2012, p. 136), ook wel gekend als de 'ijzeren kooi' van het kapitalisme, staat Graeber niet langer dan een zin stil. Een gemiste kans want uiteindelijk ziet hij gelijkaardige gevaren in de schijnbaar onontkoombare bureaucratische lokroep.

Wel staat Graeber later in de bundel kort stil bij enkele voordelen van bureaucratie of zelfs de mogelijke onvermijdelijkheid ervan: “It is hard to imagine how, even if we do achieve some utopian communal society, some impersonal (dare I say, bureaucratic?) institutions would not still be necessary” (p. 152). In het voorlaatste essay, The Utopia of Rules, or Why We Really Love Bureaucracy After All, graaft Graeber diep in de intellectuele geschiedenis om uit te zoeken waar toch die aantrekkingskracht van bureaucratie vandaan komt. Ver voorbij de eenvoudige verklaring dat bureaucratie onpersoonlijke behandeling biedt, stoot hij op het onderscheid tussen play en game. Pas dankzij duidelijke regels, en dus bureaucratie, transformeert de creatieve energie van play, tot een gestructureerd en enigszins voorspelbare game. Precies in deze spanning situeert Graeber vervolgens andere ideeën als statelijke soevereiniteit, rechtvaardigheid en vrijheid:

“Freedom, then, really is the tension of the free play of human creativity against the rules it is constantly generating.” (p. 199)

“[The] end result of this bureaucratized notion of freedom is to move toward the dream of a world where play has been limited entirely […] while every aspect of life is reduced to some kind of elaborate, rule-bound game. […] The problem is that this is just as much a utopian fantasy as a world of absolute free play would be.” (p. 205)

Het is deze ontwikkeling waarbij bureaucratie creativiteit dreigt te versmachten, die Graeber aanhaalt als één van de redenen waarom technologische vooruitgang weinig meer lijkt te produceren dan consumptiegoederen. Duidelijk doordrongen van zijn fascinatie met sciencefiction, vraagt Graeber zich in Of Flying Cars and the Declining Rate of Profit af waar de ons beloofde technologische vooruitgang gebleven is. Ontwikkeling lijkt slechts gericht op meer consumptie. Waar innovatie ons ooit nog “poetic technologies” bracht, waarbij bureaucratie slechts middel was om wilde fantasieën tot leven te wekken, blijven slechts “bureaucratic technologies” over, waar administratie tot doel is geworden.

Dat de academische wereld in eenzelfde bedje ziek is, hoeft niet te verwonderen. Terwijl universiteiten ooit onderdak boden aan het excentrieke, briljante en onpraktische, resten slechts kille ruimtes, door bureaucratie van alle creativiteit ontdaan, aldus Graeber. Ook elders bevat Graebers analyse reflectie op het academische. In Dead Zones of the Imagination wijst hij op een belangrijke overeenkomst tussen bureaucratische en sociaal-theoretische kennis. Beide kenmerken zich door selectieve blindheid, schematisering en simplificatie, en reduceren een rijke sociale werkelijkheid tot luttele deelaspecten. Terwijl theoretische kennis hierdoor net inzicht kan bieden, creëert een bureaucratisch besturingsmechanisme hierdoor onvermijdelijk en ongewild domheid. Bureaucratieën zijn niet inherent dom, zo benadrukt Graeber, maar beschikken over het vermogen om iedere situatie tot dwaasheid te transformeren.

Eens te meer bewijst Graeber zich als begiftigd sociaal theoreticus. Of hij nu dik uitgevallen monografieën of uitgesponnen essays schrijft, steeds zet Graeber aan tot nadenken. Wie snakt naar de ultieme analyse van onze age of total bureaucratization zal op zijn honger blijven zitten, net als wie hoopt op een evenwichtige beschrijving van de stand van zaken in onze bureaucratische samenleving. Alle andere lezers vinden doorwrochte essays doorspekt met frisse inzichten, die elk een eigen blik bieden op de alomtegenwoordigheid van bureaucratie in onze samenleving. Hier geen pasklare antwoorden, maar wel grondig graafwerk in onze rijke culturele aarde, zoekend naar de ware toedracht van onze obsessie met bureaucratie. Dat Graeber al spittend inzichten bovenhaalt over staat, geweld, hiërarchie en kapitalisme, is geen bijzaak.

Eerder trok Graeber ten strijde tegen onze hoogst problematische morele verwarring over schuld (2012). Nu wil hij ons via enkele breed opgezette essays doen nadenken over het bureaucratische water om ons heen. Een opzet waarin hij alvast lijkt te slagen.

Referenties

Graeber, D. (2004), Fragments of an Anarchist Anthropology, Chicago: Prickly Paradigm Press.

Graeber, D. (2012), Schuld. De eerste 5000 jaar, Amsterdam & Antwerpen: Business Contact.

Graeber, D. (2015), The Utopia of Rules, Brooklyn & London: Melville House Publishing.

Weber, M. (2012 [1920]), De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme, Amsterdam: Boom.

Voetnoten:

1

Een formulering die Graeber zelf naar voren schuift in een interview met Koen Haegens in De Groene Amsterdammer, 7 augustus 2014.

Auteur: Elias Storms

Datum: geschreven in december 2015

Pagina bijgewerkt: 2026-06-24 Wed 20:03